home ē discussie ē recensies ē lezingen ē  links ē de Italiaanse revolutie    
nrc.nl ē prometheus

Dit boek is verschenen in 1996. Veel eruit is nog steeds van kracht,
maar zie 'Het land van de krul' voor een recenter beeld van ItaliŽ.

 

3 De nomenklatoera

 

Toen de Berlijnse Muur werd afgebroken en in Oost-Europa het ene communistische regime na het andere ineenstortte, begonnen de Italiaanse kranten te schrijven: En nu wij. ItaliŽ is een democratie, met verkiezingen om de paar jaar, met een formele scheiding van machten, een economisch stelsel dat de regels van de vrije markt belijdt, en in veel opzichten een rijk land. Maar ItaliŽ is ook een land dat 45 jaar geen echte machtswisseling heeft gekend, met een groep bestuurders die decennia lang onaantastbaar waren en grote delen van het economische, sociale en maatschappelijke leven controleerden, met een logge en onverschillige bureaucratie die de burgers als vijanden behandelt, met corruptie, inefficiŽntie en een ongezonde dosis cynisme.

Wegens de enorme macht en invloed van de partijen kan het Italiaanse stelsel van vůůr de revolutie het best worden omschreven als een <MI>partitocratie<D>, een stelsel waarin de partijen de dienst uitmaken. De partijen kochten hun stemmen met de gunsten die ze te verdelen hadden. In de machtshiŽrarchie waren de partijen belangrijker dan het kabinet. De echte beslissingen zijn altijd in de vergadering van partijsecretarissen genomen, niet in het kabinetsberaad. Een ambitieuze politicus was daarom liever partijleider dan minister; als het een christen-democraat betrof, een lid van de grootste partij, zelfs liever partijleider dan premier.

De journalist Alberto Cavallari heeft geschreven dat in ItaliŽ een `pluralistisch leninisme' bestaat. Er is een grondige controle van de samenleving, precies zoals Lenin voor ogen stond, alleen wordt die in ItaliŽ niet uitgeoefend door ťťn partij, maar door een aantal partijen en elkaar bestrijdende facties binnen de partijen. De regeringspartijen en in iets mindere mate de communistische oppositie hebben een fijn-vertakt netwerk gevormd dat hen in staat stelde overal aanwezig te zijn en alles te controleren: de staatsbanken, grote industrieŽn als staal en chemie en honderden kleinere bedrijven, de radio en tv, sommige kranten, de beeldende kunst, de operahuizen en de culturele instellingen, een groot deel van de sport, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid, de nutsbedrijven, de woningbouw en het onderwijs. Alle banen en fondsen werden volgens politieke criteria verdeeld.

In deze partitocratie werd de dienst uitgemaakt door een ware <MI>nomenklatoera.<D> De Sovjetunie had haar Zils, de zwarte limousines waarin de communistische machthebbers zich verplaatsten. ItaliŽ heeft zijn <MI>auto blu<D>, de donkerblauwe Lancia's Thema, Fiats Croma of Alfa's 164 die een even gehaat symbool zijn geworden van een groep mensen die leeft in een geprivilegieerde wereld en de staat beschouwt als haar persoonlijk bezit. Officieel zijn het dienstauto's, maar ze worden ook gebruikt om boodschappen te doen en om op vakantie te gaan. Ministers en staatssecretarissen rijden erin, partijleiders en hoge rechters, maar ook burgemeesters, wethouders, bestuurders van banken en staatsbedrijven en de presidenten van de lokale diensten voor de gezondheidszorg.

Omdat het statussymbool aan inflatie onderhevig is geraakt, zijn ministers zich gaan verplaatsen per helikopter. De christen-democraat Remo Gaspari liet eens een helikopter van de brandweer oproepen omdat hij op tijd bij een voetbalwedstrijd wilde zijn. Oud-premiers mogen hun leven lang in een dienstauto rijden, maar ook zij zoeken het hogerop. Toen de socialist Bettino Craxi premier was, in de jaren tachtig, stelde hij de regel in dat oud-premiers en oud-presidenten hun leven lang gebruik mogen maken van de staatsvliegtuigen voor hun eigen reizen. Uit veiligheidsoverwegingen, was het argument van Craxi. Het heeft hem in staat gesteld om nog jaren na zijn premierschap op kosten van de Italiaanse belastingbetaler op en neer te vliegen naar zijn miljoenenvilla in TunesiŽ.

Het equivalent van de Russische datsja's zijn de goedkope appartementen die veel politici in Rome hebben weten te veroveren. Kampioen is de christen-democratische oud-premier Ciriaco De Mita. Hij huurde van een staatsbedrijf een prachtig appar- tement van vierhonderd vierkante meter met een terras van vierhonderdvijftig vierkante meter, in het hart van Rome. Op zijn verzoek had het staatsbedrijf het appartement eerst voor een paar miljoen gulden laten restaureren. De huurprijs was er niet naar: 3,5 miljoen lire, indertijd ongeveer 5500 gulden, ongeveer een kwart van wat een gewone burger voor zo'n woning zou moeten neertellen, als hij dat al zou kunnen. Ook minder belangrijke politici, uit alle partijen, hebben ontdekt dat het aantrekkelijk is om bij staatsbedrijven te huren - iets wat de gewone burger in de praktijk vrijwel niet lukt. Politici uit alle partijen en hun familieleden, rechters, bestuurders van staatsbedrijven, hoge ambtenaren, vakbondsleiders, zij hebben vaak een onderkomen gevonden tegen een huurprijs die vele malen lager ligt dan de marktwaarde.

Politicus zijn in ItaliŽ betekent leven in een wereld van privileges. Het begint al met de aanspreektitel. In Frankrijk is zelfs de president gewoon een <MI>monsieur.<D> In ItaliŽ zijn alle kamerleden een Onorevole, een geachte afgevaardigde. Velen van hen dragen deze titel nog met zich mee als zij de kamer hebben verlaten. De gedeputeerden van de regio's SiciliŽ, SardiniŽ, Lazio en Campania laten zich ook zo noemen. Zelfs de leden van de Romeinse gemeenteraad eisen deze aanspreekvorm op. Een van de eerste voorstellen van de protestpartij Lega Nord na de parlementsverkiezingen van 1992 was afschaffing van de term. Het voorstel werd verworpen.

Kamerleden en senatoren, samen tegen de duizend man, betalen geen tol op de autostrada, reizen gratis in de trein, vliegen gratis op binnenlandse vluchten en krijgen ieder jaar voor ruim vijfduizend gulden biljetten voor buitenlandse vluchten - de dienst- reizen vallen hier natuurlijk buiten, en het begrip dienstreis wordt zeer soepel uitgelegd. Ze kunnen gratis talencursussen volgen, mogen gratis naar de bioscoop en kunnen op iedere eretribune terecht als ze een keer naar het voetbal willen. In het parlement zelf is een kapper (nog geen vijf gulden), staat een medische staf ter beschikking, en heeft de tabakswinkel altijd de moeilijk vindbare Toscaanse Garibaldi-sigaren in voorraad. Er is een bank die de hele dag open is, en een postkantoor waar je waarschijnlijk als enige in ItaliŽ om kwart voor negen 's avonds nog terecht kunt.

Bovendien behoren de Italiaanse parlementariŽrs tot de best-betaalde ter wereld. Een parlementslid in Rome krijgt meer geld dan zijn collega in Den Haag, of in Bonn, Parijs, Londen of Washington. De basisvergoeding is ongeveer tienduizend gulden per maand netto - salaris mag het niet heten, de Italianen praten over een schadeloosstelling. Daarbij komt een vaste vergoeding voor het verblijf in Rome (ook voor de parlementariŽrs die in Rome wonen) van ongeveer vierduizend gulden. Plus rond de dertienhonderd gulden als vaste bijdrage voor taxikosten. Plus ruim vierduizend gulden voor een persoonlijk secretaris (een onleesbare handtekening volstaat om het geld te krijgen) - fractiemedewerkers worden op een andere manier betaald. Lid worden van een commissie betekent extra inkomsten van zeshonderd gulden voor de secretaris en drieduizend gulden voor de commissievoorzitter. Alles netto, en gecompleteerd met optimale voorzieningen voor pensioen en sociale zekerheid. Wie niet meer wordt herkozen, krijgt een gouden handdruk van ongeveer twaalfduizend gulden voor ieder jaar in het parlement. Naast het pensioen natuurlijk.

Dubbele salarissen, een gewoonte in de Italiaanse economie, kwamen tot voor kort ook in het parlement veel voor. Zeker een derde van de parlementariŽrs was op de een of andere manier in overheidsdienst voordat zij zitting namen in Kamer van Afgevaardigden of Senaat, als arts, hoogleraar, officier, politiecommandant, onderwijzer. Dat salaris is bijna altijd doorbetaald, met een minimale correctie op de `schadeloosstelling'. Pas op 30 april 1993 is een wet van kracht geworden die het universiteiten verbiedt om docenten te betalen die ook parlementslid zijn. Zoals met zoveel wetten blijkt de controle hierop veel te wensen over te laten.

De privileges beperken zich niet tot de nationale politiek. De Italiaanse regio's hebben samen 945 gedeputeerden. Hoewel die functie de betrokkene vrijwel nooit helemaal opeist, is de vergoeding aantrekkelijk: tussen de achtduizend en twaalfduizend gulden per maand. SiciliŽ spant de kroon: de negentig gedeputeerden daar krijgen ongeveer zeventienduizend gulden per maand. Als ze kunnen aantonen dat ze ook vrouw, kinderen, ouders en/of schoonfamilie moeten onderhouden, helpt de regio daarbij: ruim vierduizend gulden per jaar voor vrouw, ouders of schoonfamilie, achthonderd gulden per kind. Wie nog geld nodig heeft, kan dat lenen tegen een rente die minder dan de helft is van de marktrente. Als in augustus 1993 vanuit SiciliŽ een commissie naar Oslo gaat om daar de organisatie te bestuderen van de wereldkampioenschappen wielrennen, die een jaar later in SiciliŽ worden gehouden, bestaat de delegatie uit niet minder dan honderdtwintig man.

 

De politiek kost nu eenmaal geld, is een verweer van politici die zich schuldig hebben gemaakt aan corruptie. Kritiek op corruptie binnen de partijen wordt door hen vertaald als kritiek op de democratie in het algemeen: wie zegt dat de politieke partijen best met minder toe kunnen, zou in feite de democratie om zeep willen helpen. Slechts een enkeling, zoals de Milanese socialist Matteo Carriera, heeft gezegd dat hij steekpenningen heeft aangenomen omdat hij een kick kreeg van de luxe lunches, van de auto met chauffeur, van de zeilboot en de villa op het platteland of aan zee. Veel van zijn collega's vinden dat het smeergeld de prijs is die het land heeft moeten betalen voor het functioneren van de partijen.

Buiten de politiek aanvaardt vrijwel niemand dit argument. Met name de socialisten hebben als goden geleefd, met een uitgavenpatroon dat weinig meer te maken heeft met het normaal functioneren van een partij. Zij hebben voor honderdduizenden guldens geluncht in het sjieke Milanese restaurant Savini, in de passage bij het Domplein - met de crisis van de partij zijn ook de problemen voor het restaurant gekomen. Zij hebben megalomane congressen gehouden, waarop Craxi voor miljoenen guldens aan anjers liet komen. Voor veel geld zijn hagiografieŽn van de grote leider gedrukt die niemand las. Partijgenoten bij de staatsbedrijven grossierden op rekening van de zaak in enorme cadeaus. Ex-minister Gianni De Michelis (Arbeid, Staatsdeelneming, Buitenlandse Zaken) reisde rond als de Venetiaanse uitvoering van een pasja. Op vrijwel alle internationale bijeenkomsten had deze corpulente, eeuwig zwetende bewindsman met zijn lange zwarte krullen de grootste delegatie, en een groot deel daarvan had het karakter van een hofhouding. Voor de diners en voor het geliefde bezoek aan de disco daarna beschikte hij over een schijnbaar onuitputtelijke voorraad mooie vrouwen, van wie de meesten op de loonlijst stonden van de staat of van de socialistische partij. De Michelis is een scherp en origineel denker. Maar was dat allemaal nodig om zijn geest op scherp te houden?

De Michelis' partijgenoot Claudio Martelli, een hervormingsgezinde socialist die zich wel een kostbaar huis op kosten van de partij heeft laten aanleunen, heeft de omvang van de nomenklatoera becijferd. Martelli schat dat ongeveer een miljoen mensen direct of indirect van de politiek leeft. Op de eerste plaats komen de parlementsleden: 315 gekozen senatoren en de negen die voor het leven zijn benoemd, en 630 kamerleden. Op de lagere bestuursniveaus komen daar 945 gedeputeerden van de regio's bij, 2545 provinciale gedeputeerden en 151.000 gemeenteraadsleden. Maar ook de 651 bestuurders van de lokale gezondheidsdiensten en de presidenten en leden van raad van bestuur van de tegen de honderdduizend bedrijven en instellingen die in handen zijn van de staat, moeten bij de nomenklatoera worden gerekend. Volgens een ruwe schatting kost de politiek jaarlijks vijf biljoen lire, eind 1995 ongeveer vijf miljard gulden. Een aantal partijfunctionarissen staat op de loonlijst van staatsbedrijven en wordt dus door de schatkist betaald. Voor veel anderen was de partij de werkgever. Maar hun loon is meestal niet terug te vinden in de boeken.

In een poging duidelijkheid te scheppen over de inkomsten van partijen is in 1974 een wet opgesteld voor de partijfinanciering. Het was een reactie op een groot corruptieschandaal waarin oliebaronnen de politieke partijen hadden omgekocht. De nieuwe wet moest een einde maken aan politieke corruptie, door politieke partijen een bijdrage van de staat te garanderen en regels te stellen aan bijdragen van derden. Bedrijven die voor meer dan twintig procent in handen van de staat zijn, mochten voortaan geen geld meer lenen of schenken aan politieke partijen. Voor bijdragen van particuliere bedrijven gold geen maximum, al waren sinds een wetswijziging in 1981 gever en ontvanger verplicht schenkingen van meer dan vijf miljoen lire (nu ongeveer zesduizend gulden) aan te melden bij de voorzitter van de Kamer van Afgevaardigden.

De wet heeft nauwelijks effect gehad. Politieke partijen hadden er geen enkele behoefte aan om deze inkomstenbronnen openbaar te maken, maar ook ondernemers niet. Als andere partijen in de gaten kregen dat zij betaalden, zouden ze ook langskomen. Overtreding van de wet op de financiering van de politieke partijen is dan ook het meest frequente misdrijf in de corruptie-affaires.

Hoe groot de afkeer is van deze wet, blijkt bij de referenda van april 1993 . Ruim negentig procent van de kiezers stemt voor afschaffing ervan. Acht maanden later komt het parlement met nieuwe regels. Er komt een maximum op de uitgaven die een politicus mag doen voor zijn verkiezingscampagne: 92 miljoen lire (ongeveer 110.000 gulden) voor een kamerzetel en 104 miljoen lire ( 125.000 gulden) voor een zetel in de senaat. Het is een fractie van de uitgaven van vroeger, die soms ruim boven de ťťn miljoen gulden uitkwamen.

De belangrijkste verandering is dat de nieuwe wet niet langer gevangenisstraf kent als een sanctie, zoals onder de oude regels. Overtreders hangt alleen een geldboete boven het hoofd, tussen de twaalfduizend en honderdtwintigduizend gulden. Een amendement om uitdrukkelijk vast te leggen dat de nieuwe regels geen terugwerkende kracht hebben, wordt verworpen, want veel parlementsleden denken vooruit, aan het moment dat ze voor de justitie moeten verschijnen. Duidelijk is dat veel verdachte politici de gevangenis willen vermijden door te proberen de nieuwe regels retro-actief te maken. Waarschijnlijk zullen ze daarin slagen, want het Italiaanse recht bepaalt dat die sancties moeten worden toegepast welke het meest gunstig zijn voor een verdachte.

Het justitiŽle onderzoek en de nieuwe regels brengen de partijen financieel op de rand van de afgrond. Overal in het land moeten met name de socialisten, maar ook de christen-democraten, riante partijbureaus inruilen voor bescheidener onderkomens. De telefoonrekening wordt niet meer betaald, de huur vaak ook niet. `We hebben zelfs geen geld meer om postzegels te plakken,' klaagt de christen-democratische partijsecretaris in Rome. Over vliegen per gehuurd privť-vliegtuig denkt niemand meer. De socialisten hebben volgens de boeken 27 miljard lire schuld, ongeveer 33 miljoen gulden, maar het partijbestuur dat de erfenis van Craxi heeft overgenomen, moet bekennen dat de echte schuld vijf keer zo hoog is. De partijen kunnen ontslagen niet vermijden. Tussen de vijftienhonderd en tweeduizend mensen komen op straat te staan: portiers, secretaresses, bewakers, chauffeurs en loopjongens. Tot woede van de linkse en rechtse oppositie gaat de rekening naar de staat: in augustus 1993 stelt het kabinet ruim negentig miljoen gulden beschikbaar voor de uitkeringen.

 

Dat de politieke klasse zich als een nomenklatoera heeft kunnen gedragen, komt ook door de sterke greep van de politiek op de economie. De publieke sector van de economie omvat ongeveer veertig procent van de totale economische activiteit. Dat is meer dan in enig ander land van West-Europa. De overheid is de grootste werkgever, heeft een monopolie op de pensioenuitkeringen (bijna alle pensioenen lopen in ItaliŽ via de staat), en heeft een sterke greep op de kredieten via haar controle op de staatsbanken, die domineren in de banksector. En omdat de partijen hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen tot het uiterste hebben benut, is heel veel in ItaliŽ politiek geworden.

Deze sterke rol is gebaseerd op een erfenis uit het verleden die in de jaren vijftig is uitgebouwd en versterkt. Toen in de jaren dertig drie belangrijke banken, de Banca Commerciale Italiana, Credito Italiano en de Banco di Roma, dreigden te bezwijken in de recessie, stelde het fascistische regime een reddingsplan op. De drie banken werden opgenomen in een nieuwe staatsholding. Istituto per la Ricostruzione Industriale, het instituut voor de wederopbouw van de industrie, zo werd de holding genoemd. Op deze manier kreeg de staat, via de aandelenpakketten in het kapitaal van de banken, de controle over een groot aantal bedrijven. Het paste in Mussolini's corporatistische ideeŽn om de rol van de IRI uit te breiden. De economische problemen maakten deze vorm van staatshulp wenselijk. Nog voor de oorlog controleerde de IRI belangrijke industriŽle sectoren als staal, scheepsbouw en de wapenproduktie.

De IRI is een van de erfenissen van het fascisme die zonder veel discussie zijn overgenomen, aanvankelijk met veel succes. De snelle economische groei in de jaren vijftig (sneller dan enig ander Europees land) en de razendsnelle omvorming van ItaliŽ van een overwegend agrarisch land in een industriŽle mogendheid zijn voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het opereren van staatsholdings als de IRI en de na de oorlog opgerichte ENI  , die in het begin vooral in de energiesector actief was. Aanvankelijk hadden de managers van deze twee staatsholdings een vrij grote mate van autonomie. Zij profiteerden van de liberale wind die waaide onder het bewind van president Luigi Einaudi ( 1948 - 55 ), een prominente econoom. Maar in de jaren daarna begonnen de regerende christen-democraten de teugels aan te trekken.

Onder Amintore Fanfani besloten de christen-democraten in de tweede helft van de jaren vijftig tot een belangrijke koerswijziging. Het was duidelijk geworden dat de partij haar succes bij de verkiezingen van 1948 , toen zij 48,5 procent van de stemmen haalde, nooit meer zou evenaren. De christen-democraten zochten daarom andere manieren om hun macht te bestendigen. Bovendien wilden zij zich minder afhankelijk maken van de steun van de werkgeversorganisatie Confindustria. Via sterke overheidsinterventie vergrootte de partij haar greep op de samenleving. Gaandeweg werd de overheidsinterventie geen middel om te doen wat de particuliere sector niet vermocht, maar een instrument om de invloed van de partij te vergroten. Zo werden ook de IRI en de ENI  een politiek wapen. Mussolini heeft geprobeerd de rol van de staat in de economie te vergroten, maar de christen-democraten zijn kwantitatief en kwalitatief een flink aantal stappen verder gegaan. Veel meer dan onder Mussolini maakten zij van de staatsbedrijven, die geen statutaire beperkingen kenden voor het soort activiteiten dat zij ondernamen, een bron van politieke macht.

Bij de ENI  was deze link met de politiek het sterkst, al was het aanvankelijk de ENI  die probeerde de politiek voor haar karretje te spannen. De holding werd sinds haar oprichting in 1953 geleid door de legendarische christen-democraat Enrico Mattei. Hij was een geniaal manager die van de ENI  een symbool van inventiviteit en modernisering heeft gemaakt en door zijn voorbeeld een enorme impuls heeft gegeven aan de modernisering van de hele Italiaanse industrie. Maar Mattei, in 1962 omgekomen bij een mysterieus vliegtuigongeluk, was ook de eerste ondernemer die syste- matisch heeft geprobeerd de politiek te kopen. De werkgeversorganisatie Confindustria heeft dat ook gedaan, bijvoorbeeld in de campagne tegen de nationalisatie van de elektriciteitsbedrijven, maar daarbij was omkoping geen regel. Voor Mattei was smeergeld een management tool. Politieke partijen zijn als een taxi, zei hij. Je bestelt ze, je betaalt aan het einde van de rit, en je stapt weer uit. Mattei was iemand die zijn eigen regels stelde. Hij ging er prat op meer dan achtduizend verordeningen en wetten te hebben gebroken.

In de jaren zeventig werden de IRI en de ENI  de belangrijkste geheime financiers van de politieke partijen, maar de rollen waren omgedraaid. De politici hadden van de staatsholding een melkkoe gemaakt. Af en toe probeerde een rechter een tegel te lichten, maar de christen-democraten zorgden ervoor dat die snel weer op zijn plaats kwam te liggen. Een industriebeleid kwam toen nauwelijks meer van de grond. In de beslissingen over bedrijfsstrategie, over aan- en verkoop van bedrijven, over sluiting en uitbreiding, zat geen enkele lijn. Bij de schaarse planning kregen bedrijfseconomische en industriŽle factoren een minder zwaar gewicht dan de vraag wat ermee kon worden bereikt in de vorm van politieke klantenbinding.

Die houding is kenmerkend voor heel de staatssector. Zo kon de besluitvorming over benoemingen bij staatsbanken maanden, soms jaren worden opgehouden omdat de partijen het niet eens werden over de verdeelsleutel. Dat waren felle en langdurige gevechten, want om protesten te voorkomen is de buit steeds zo eerlijk mogelijk verdeeld. Dit systeem is lottizzazione gedoopt, politieke verkaveling. Alles waar de staat mee te maken had, was opgedeeld over de partijen. De IRI was van de christen-democraten, de socialisten hadden de ENI  . De christen-democraten beslisten over de rivier de Tiber, die tenslotte door Rome stroomt, de socialisten controleerden de werken aan de Po, langs hun bolwerk Milaan, en de communisten hadden de Arno in het rode Toscane. De christen-democraten deden zich te goed aan de ontwikkelingshulp in EthiopiŽ, de socialisten roomden de hulp aan SomaliŽ af. De socialisten hadden overigens ook Peru, en Craxi plaagde de Peruaanse premier Alan Garcia door te zeggen dat hij meer had overgehouden aan de aanleg door Italiaanse bedrijven van een metrolijn in Lima dan Garcia.

Zo zijn hele sectoren van de staat en tientallen staatsbedrijven een privť-speelterrein geworden voor de partijen. De controle over benoemingen moest ervoor zorgen dat allereerst de partijbelangen werden gediend. Daarom waren voor een aanstelling goede contacten binnen de partij belangrijker dan bekwaamheid als manager. Voor familieleden van politici was altijd wel een goed betaald baantje te vinden, ongeacht hun capaciteiten. Zo kon de neef van de christen-democraat Riccardo Misasi directeur worden van het filiaal van de Banco Nazionale del Lavoro in New York hoewel hij nauwelijks Engels sprak. Honderden staatsbedrijven zijn zo opgescheept met een incompetente leiding. Bojaren, zo worden deze politici-managers genoemd, naar het Russische woord waarmee de geprivilegieerde klasse van bestuurders werd aangeduid die door tsaar Peter de Grote werd afgeschaft.

In ItaliŽ is op deze manier een Oosteuropese situatie ontstaan, een Italiaanse variant op de grote staatsrol in landen met communistische regimes. De socialist Claudio Martelli heeft dat `het reeel bestaande socialisme van de christen-democratische stempel' genoemd. Een meester in het leggen van een netwerk door de staatsbedrijven heen was Giulio Andreotti. Voordat de Italiaanse revolutie zijn macht ondergroef, had hij overal mensen op sleutelposten zitten: bij de IRI , de Banco di Roma, Alitalia, de staatsomroep Rai, het elektriciteitsbedrijf Enel, de telefoonmaatschappij Sip, de ministeries van buitenlandse zaken en defensie. Ook de voetbalclub as Roma was politiek gezien van hem.

De rekening voor de politieke manipulatie van staatsbedrijven wordt nu gepresenteerd in de vorm van een extreem hoog begrotingstekort. Dat tekort was een hoofdoorzaak van de vertrouwenscrisis in de lire in het najaar van 1992 . Eerst moest de Italiaanse munt devalueren en een paar dagen verdween zij helemaal uit het Europese muntstelsel. Uiteindelijk is de lire bijna een kwart gedaald ten opzichte van de Duitse mark. Het was een keiharde veroordeling door de internationale financiŽle gemeenschap van de Italiaanse nomenklatoera.

 

Door zo'n beschermd leven kan een politicus het contact met de werkelijkheid verliezen en een overdreven gevoel van zijn eigen belangrijkheid krijgen. Het wordt een populair thema onder psychiaters, die neuroses van politici. Een van de eersten die dit aan de orde stellen, is Piero Rocchini, een slanke man met kalend hoofd. Hij is bijna tien jaar de officiŽle psychiater van de Kamer van Afgevaardigden geweest. Meer dan tweehonderd kamerleden hebben bij hem op de bank gelegen om te praten over hun angsten en frustraties. In 1992 wordt hij ontslagen als hij, in algemene termen en zonder mensen herkenbaar te maken, zijn ervaringen begint te vertellen.

`Iedere politicus is een Narcissus,' vertelt Rocchini. `De politiek is er voor hem. De staat bestaat niet voor de burgers, alles is te gebruiken voor het eigen welbehagen.' Een berucht voorbeeld is dat van de Napolitaanse christen-democraat Paolo Cirino Pomicini. Hij wil graag de wedstrijd Milan-Napoli zien en weet dat bij de studio van de Rai de beelden binnenkomen, voor een samenvatting later op de dag. De veiligheidsbeambten van de Rai vinden dat Cirino Pomicino niets te zoeken heeft in de studio, al is hij minister van Begroting. Maar de autoriteit wint altijd in ItaliŽ. Met een groep vrienden volgt de minister op een regie-monitor de wedstrijd. Veel plezier hebben ze niet, want Napoli wordt weggespeeld.

Politici willen `alles, meteen en zonder inspanning', aldus Rocchini. Hij citeert een politicus die hem heeft verteld hoe hij kracht en identiteit ontleent aan zijn status van Onorevole. `Wanneer ik over straat loop, kijkt iedereen met respect naar mij,' vertelde deze politicus. `Ze begroeten me met een goedemorgen Onorevole, op een toon die mij kracht geeft. Velen kennen niet eens mijn naam precies, maar ik ben de Onorevole. Ik hoef maar te vragen en ze gaan op hun knieŽn. Als ik uit de politiek zou gaan, kijken ze niet eens meer om. Dan moet ik zelfs dringen met de mensen in de rij op het postkantoor, terwijl ik nu maar met mijn vingers hoef te knippen om iets te krijgen.'

Zo is de staat het speelterrein geworden voor een verwend kind. `Mensen overplaatsen, aanbevelingen doen, zitting nemen in commissies waarvoor je geen enkele kwalificatie hebt, wetten aannemen die nooit gerealiseerd zullen worden omdat ze veel te duur zijn en waarbij niemand eraan heeft gedacht een berekening te maken, alles lijkt deel uit te maken van het enige spel dat de narcist echt interesseert, plezier hebben,' schrijft Rocchini in een boek over zijn ervaringen. De burgers mogen klappen als ze dat willen, maar een politicus hoeft nooit verantwoording af te leggen voor wat hij doet. Lid worden van de nomenklatoera betekent volgens deze psychiater ook een `geestelijke castratie': om lid te worden van de geprivilegieerde klasse moet je je eigen verantwoordelijkheid opgeven en het spel meespelen.

Totdat de smeergeldschandalen aan het licht kwamen, leek de politiek in gaan de minst riskante weg om diefstal te plegen. `De politiek wordt simpelweg beleefd als een middel om je eigen persoonlijke voordeel te bewerkstelligen,' aldus Rocchini. Hij heeft een onderzoekje gedaan onder politici. Als belangrijkste doel van hun politieke activiteit noemt 34 procent van de ondervraagden `geld'. Daarom kijken `gewone' misdadigers vaak met een mengeling van jaloezie en bewondering naar politici. In zijn boek vertelt Rocchini over een gevangene die hem gefrustreerd vraagt: `Wilt u weten waarom ik hier zit? Omdat ik niet in staat ben de politiek in te gaan. De echte dieven zijn buiten en wij zitten hier binnen. Ik heb risico's moeten nemen om te stelen, maar voor hen is alles gemakkelijk en niemand zegt er iets van. Ze zeggen allemaal tegen me dat ik mijn leven moet veranderen en een fatsoenlijk mens moet worden. Fatsoenlijk zoals degenen die in het kabinet zitten of in het parlement?'

Lid zijn van de nomenklatoera geeft niet alleen een gevoel van almacht en onschendbaarheid, het biedt ook een bescherming tegen de harde wereld daarbuiten. In een parafrase op de traditionele tweedeling tussen het paese legale en het paese reale, tussen de wereld van de instituties en de samenleving, zegt Rocchini dat de politiek zoveel eigen regels en gewoontes heeft gekregen dat zij los is komen te staan van de `echte' wereld. Zoals een kind maar ťťn wereld kent, die waarvan zijn moeder het middelpunt vormt, kent de politicus alleen maar de wereld waarvan zijn partij en de politiek in het algemeen het centrum zijn. Voor veel politici zijn de partijen een soort moeder geworden: `Moeder heeft ons melk gegeven, de partij geeft ons de rest,' zo schreef een van de ondervraagden in Rocchini's onderzoek.

Die partij als een beschermende moeder verklaart ook een deel van de staatsinrichting van ItaliŽ. Totdat premier Amato er in 1992 het mes in zette, waren er zoveel ministers en staatssecretarissen omdat een goede moeder altijd onderdak zoekt voor haar kinderen. `De grote mediterrane moeder bevredigt iedere behoefte nog voordat zij wordt geuit,' zegt Rocchini. Decentralisatie was nooit een poging het bestuur dichter bij de burger te brengen, maar het scheppen van een extra bestuurslaag. Hierdoor is er meer werk voor politici, zijn er meer mogelijkheden om te bemiddelen, gunsten te verlenen en daarvoor wat terug te vragen.

Dat nu een eind wordt gemaakt aan de privileges van de nomenklatoera, geeft grote psychische problemen. Rocchini is de ontdekker geworden van `het syndroom van Di Pietro', genoemd naar de Milanese officier van justitie die de gangmaker is bij de corruptieonderzoeken. Het is het ziektebeeld van politici die midden in de nacht wakker worden, badend in het zweet, omdat ze dromen dat de politie ook bij hen met een paar handboeien voor de deur staat. Het is de angst van mensen die jarenlang in de moederschoot van een partij hebben geleefd, die zich machtig en onaantastbaar waanden, maar nu worden geconfronteerd met de harde werkelijkheid van gevangenissen vol autokrakers en drugverslaafden, van rechters die niet sidderen voor een Onorevole. Had een van de verdachte politici die een paar weken heeft vastgezeten in de Milanese San Vittore-gevangenis niet gezegd: `Wij politici waren vergeten hoe het leven echt is en dat ook wij de regels moeten respecteren.'

Rocchini en andere psychiaters constateren een duidelijke stijging van het aantal politici dat geestelijke hulp zoekt. Veel politici hebben slapeloze nachten; uit schaamte, uit angst voor een arrestatie, angst te worden uitgescholden op straat, angst dat hun kinderen hen laten vallen. Een collega van Rocchini constateert dat verdachte politici impotent worden. Een andere psychiater wijst erop dat veel politici hun minnaressen in de steek laten en weer beschutting zoeken bij hun vrouw. De machtige man van de wereld is veranderd in iemand die gekoesterd moet worden.

De politici zullen het nog moeilijker krijgen nu de kieswet is veranderd en zij veel directer dan in het verleden de confrontatie met de kiezer moeten aangaan. Vroeger kwamen ze in het parlement door een goede plaats op de partijlijst, of kwam het pakket stemmen uit een van de stemmachines. Nu moeten zij zichzelf waarmaken.

Sommigen van hen hebben daar moeite mee en lijden eronder dat voor de kiezer hun positie niet meer vanzelfsprekend is. `Als ik vroeger met de mensen sprak als Onorevole, kreeg ik meteen gelijk,' zo citeert Rocchini een politicus. `Nu wordt het moeilijker. Vroeger waren het de anderen die moesten aantonen dat het voor mij de moeite waard was om naar hen te luisteren. Nu is het andersom. Ik moet iets te bieden hebben.' Een andere politicus heeft de psychiater verteld dat het een ongeschreven wet was dat hij geen problemen zou hebben als hij geen problemen zou maken. `Alles was te regelen, nu moet er veel meer op eigen kracht. We zijn overgestapt van huwelijken die door de families werden geregeld, naar een mannelijkheidstest met een wellustige vrouw.'

 

De nomenklatoera raakt in paniek nu zij haar privileges verliest en verantwoording moet gaan afleggen. Dat is zelden gebeurd. Het was niet de gewoonte dat een politicus aftrad na een schandaal. Ook voor de justitie behoorden de meeste politici tot een kaste van ongenaakbaren. Jarenlang was het vrijwel onmogelijk om een parlementslid juridisch te vervolgen: niet voor corruptie, maar ook niet voor oplichting, verkeersovertredingen of grove beledigingen. De kamerleden en senatoren voelden zich vrij om te doen en te laten wat ze wilden, omdat ze zich altijd konden verschuilen achter hun parlementaire onschendbaarheid.

In de meeste parlementaire democratieŽn bestaat dit begrip alleen in beperkte zin. Artikel 68 van de Italiaanse grondwet bepaalde tot voor kort dat voor strafrechtelijke vervolging van een parlementslid toestemming nodig is van de kamer waartoe deze behoort. Deze bepaling is na de oorlog in de grondwet opgenomen in een reactie op de vervolging van parlementariŽrs onder het fascistische regime, maar in de praktijk is zij zeer breed uitgelegd en verworden tot een collectieve vrijbrief van parlementariŽrs voor zichzelf. Jarenlang hebben Italiaanse politici zich boven de wet gesteld met een beroep op hun parlementaire immuniteit. Eensgezind en zonder aanzien des persoons werd de justitie buiten de deur gehouden.

De grondwet schreef niet voor op welke gronden de kamer of senaat kon weigeren de parlementaire onschendbaarheid van een van haar leden op te heffen. Geschreven regels over wanneer er wel en wanneer niet mag worden vervolgd, waren er niet. In de praktijk zijn hiervoor drie criteria ontwikkeld. Het parlementslid mocht niet worden vervolgd als het ten laste gelegde voortvloeide uit zijn politieke activiteit; als het vermoeden bestond dat de justitiŽle vervolging om politieke redenen gebeurde, de zogeheten fumus persecutionis; of bij `evident ongegronde' beschuldigingen.

Aan deze criteria is steeds een zeer ruime uitleg gegeven. Jarenlang is zelfs het simpele feit dat een rechter het waagde een parlementslid ergens van te verdenken, uitgelegd als een poging tot politieke vervolging. De politieke klasse schermde zichzelf af, ongeacht de partij. De neofascist Mario Biagioni kwam zo onder de aanklacht van oplichting uit nadat hij een gefingeerde diefstal van bontjassen ter waarde van honderddertigduizend gulden had aangegeven. De ex-communist Adalbarto Minucci gebruikte zijn onschendbaarheid om onder vervolging wegens een grove verkeersovertreding uit te komen. De parlementsleden voelden zich vrij om niet-politici uit te maken voor idioot of hun soms zelfs een flinke klap te verkopen. Er zijn tientallen voorbeelden van politieagenten die werden uitgescholden en met sancties bedreigd als ze een parlementslid aanhielden. `U weet niet wie ik ben,' was de woedende reactie.

Van de 2717 verzoeken tot vervolging van parlementariŽrs tijdens de tien parlementen tussen 1948 en 1992 zijn er 2202 afgewezen of nooit beantwoord. Dat is tachtig procent. Tot in de jaren zeventig ging het daarbij vooral om beschuldigingen van laster en smaad, maar in de jaren daarna betroffen de meeste verzoeken parlementsleden die werden verdacht van corruptie of andere financiŽle delicten. Ook hier is de parlementaire onschendbaarheid gebruikt als een schild tegen de justitie. Een verdacht parlementslid kon zich redden met een cirkelredenering: de justitie mocht geen onderzoek instellen zonder toestemming van het parlement, maar kreeg die toestemming pas als zij harde bewijzen aanvoerde voor haar verdenkingen. Regelmatig is het argument dat er onvoldoende belastende gegevens zijn om toestemming te geven tot vervolging, gebruikt om de justitie te verbieden gegevens te verzamelen.

Op deze manier zijn parlementsleden buiten schot gebleven. Verschillende partijen hebben mensen kandidaat gesteld voor het parlement om hen uit handen van de justitie te houden. De socialisten deden dat bijvoorbeeld in 1987 met de Milanese partijboss Lorenzo Natali, die wel de geestelijk vader van de corruptie in Milaan is genoemd omdat hij in de jaren zeventig als president van de metro het smeergeldsysteem had geperfectioneerd. De justitie was een onderzoek tegen hem begonnen, maar moest haar werk stoppen toen Natali in de Senaat werd gekozen.

Het parlement dat in dat jaar is gekozen, heeft van de 358 verzoeken tot vervolging die het in vijf jaar heeft ontvangen, er slechts 43 ingewilligd. Van de rest werden er 191 afgewezen, 83 niet eens in discussie genomen, en 41 om uiteenlopende redenen naar het openbaar ministerie teruggestuurd voor nadere uitwerking. De overige verzoeken zijn blijven liggen.

In het nieuwe parlement, dat in april 1992 wordt gekozen, verandert dit radicaal. De publieke opinie maakt duidelijk dat zij de traditionele zelfabsolutie niet meer pikt. Bovendien komt de justitie met zulke gedetailleerde informatie dat het parlement daar niet meer omheen kan. Het gaat officieel om vrijwillig afgelegde verklaringen van verdachten, die belastend zijn voor parlementariŽrs. Deze vallen niet onder het onderzoeksverbod, want de justitie kan niet worden verboden die op te nemen. Steeds vaker geeft het parlement toestemming tot vervolging. Uiteindelijk wordt het hele grondwetsartikel gewijzigd, in oktober 1993 . Voortaan heeft de justitie geen toestemming van het parlement meer nodig om een onderzoek in te stellen tegen een parlementslid of hem als verdachte te ondervragen. Wel blijft een parlementair fiat vereist voor huiszoeking bij een parlementslid, voor het afluisteren van telefoongesprekken en het openen van correspondentie, en voor arrestatie, en kan een parlementslid niet worden vervolgd voor wat hij zegt in de uitoefening van zijn functie. Maar aan het misbruik van de parlementaire onschendbaarheid is een halt toegeroepen. De nomenklatoera raakt een van haar belangrijkste privileges kwijt.

 

Hoe komt een nomenklatoera aan haar einde? Een enkeling treedt vrijwillig terug of wekt de schijn dat te doen. Matteo Carriera, de man die verlangde naar het goede leven, woont nu in een bescheiden appartement in Milaan. Sommigen plegen zelfmoord, uit schaamte of omdat hun wereld is ingestort. Psychiater Rocchini: `Wie de baas is geweest alleen maar door zijn trouw aan een partij, wie zoveel jaren zoveel privileges heeft gehad zonder de capaciteiten om ze te verdienen, wie van zijn meegaandheid met het regime en zijn perverse moraal de regel heeft gemaakt om zin te geven aan een leven dat, buiten het masker van het apparaat, geen eigen idealen en identiteit heeft weten te vinden, hoe kan die overleven?' Maar de meeste leden van de nomenklatoera proberen hun einde voor zich uit te schuiven en verzetten zich met hand en tand tegen het verlies van hun politieke en economische macht.

Hun nederlaag is onafwendbaar. In 1992 wordt premier Amato nog teruggefloten als hij een begin wil maken met de ontmanteling van staatsbedrijven, maar zijn opvolger, Ciampi, zet in de loop van 1993 een aantal kleine maar onomkeerbare stappen naar privatisering. Zo wordt het fundament onder de nomenklatoera aangetast. Aan het einde van dat jaar worden met veel succes de eerste belangrijke bedrijven verkocht aan de particuliere sector, de turbinefabriek Nuovo Pignone en de bank Credito Italiano. De politieke partijen zijn hun greep op staatsbedrijven aan het kwijtraken. Daarmee verliezen ze een belangrijke bron van inkomsten (smeergeld) en een middel om hun macht te bestendigen. Bij de verkiezingen van 1994 wordt een groot deel van de oude nomenklatoera politiek en moreel failliet verklaard.

 

 

Ga terug naar startpagina van De Italiaanse revolutie of lees het volgende hoofdstuk

 

 

Deze website is gemaakt door Marc Leijendekker
teksten © 2007 en 1994-1996